Geschiedenis van Penninga’s Molen

De Geschiedenis van Penninga’s Molen vindt z’n oorsprong in De Westersche Molen

Op 16 maart 1874 vangt het eigenlijke verhaal van Penninga’s Molen aan, wanneer Sytze (Paulus) Penninga, korenmolenaarsknecht, “een in werking zijnde windkorenmolen, genaamd De Westersche Molen met “woonhuizinge, hieminge, erf en tuin” aan de Schipsloot te Joure ten overstaan van Notaris G. de Jong Posthumus aankoopt van Jan (Klazes) Voskuil, korenmolenaar, voor fl 6.508,–. “In den koop (.) zijn begrepen de in den molen aanwezige en door bestemming daartoe behoorende goederen, waaronder de volgende losse goederen, als vier zeilen, een koevoet, zeven bilhamers, rollen, kijlen, sleeptouw en een schommel”.

Tengevolge een akte van scheiding van 27 juli 1895 compareren op 12 februari 1897 de Wed. Akke (Aukes) van der Hoek en Auke Penninga, korenmolenaar, voor Notaris H.J.W. Terlet te Joure, waarbij voor fl 8.000,– “eene korenmolen met daarbij behorende gereedschappen en werktuigen, grond en erf te Joure, een huis met stalling, hooibergplaats, grond en erf en daaraan verbonden twee woningen met grond en erf aldaar en een kampje weiland (.)” in eigendom worden overgedragen.

Auke Penninga, 1915

In de nacht van 13 op 14 april 1900 gaat De Westersche Molen in vlammen op. Het brandweerverslag meldt terzake deze brand “in den rogmolen van A. Penninga (dat omstreeks halfdrie met bekwamen spoed met spuit No. 2 werd uitgerukt. De brand, die in den molen hevig woedde, kon door de brandweer niet behouden worden, tot aan de dichtbij grenzende percelen moest de brandweer hare hulp verleenen. De brand bleef gelukkig bij dit perceel bepaald, waartoe ook de gunstige windrichting ’t hare bijdroeg. Om 3 uur gaf de spuit water en oordeelden we om 6 uur dat we tot inrukken konden besluiten”. Het vakblad “De Molenaar” van 25 april 1900 weet nog te melden dat “een groote hoeveelheid meel en fourage-artikelen mede zijn verbrand (maar dat) alles door assurantie was gedekt”.

Jonge Dolfijn wordt Jonge Wester

De Jonge Dolfijn aan het Koperenbergsepad te Westzaan

Omstreeks die tijd wordt, in hetzelfde blad “Te koop tot verplaatsing aangeboden een achtkante molen, met stelling, alles in besten staat, vlucht 84 voet, direct te aanvaarden; aan groot vaarwater; zeer geschikt voor pel- of korenmolen. Verder alle afbraak-molens te bevragen bij Jb. De Boer Pz., te Oostzaan”. Het wordt De Jonge Dolfijn, ook wel Koperen Berg genaamd. Een grote, Westzaanse pelmolen van de Fa. Wijnberg & Bakker, die de molen sinds 1872 exploiteren. In dat jaar wordt de molen opgenomen in een assurantiecontract met een verzekerde waarde van fl 12.300,–. Uit dit contract wordt in 1875 fl 200,– uitgekeerd ingevolge brandschade, terwijl op 10 juni 1892 andermaal schade ontstaat als gevolg van blikseminslag. Herstel volgt, waarna De Jonge Dolfijn acht jaar later ter amovering naar Joure wordt verkocht.

De Zaanse pelmolen heeft dan al een bewogen bewogen geschiedenis achter de rug. Gebouwd  als grauwpapiermolen, waarvoor Jan Claesz Cleijn op 19 maart 1695 de windbrief verkrijgt en naar verluid de bouwrekening voldoet in kopergeld. Op 21 maart 1709 wordt De Jonge Dolfijn door Corn. Claesz. Gorter, Jan Claes Cleijn, Ariaan Leegwater, Corn. Jelisz. Vries, Dirk Claesz. Wit en Claes Gerritz. Wit verkocht aan Arent Pz. Molenaar uit Wormerveer en de Westzaanse houtzager Pieter Claes, die voor fl 4.200 driekwart portie in de molen verwerven. Voor het recht van overpad moet jaarlijks vier gulden worden betaald aan Corn. Claesz. Gorter en Hillegont Claes. Op 9 maart 1713 wordt het land van het zg. Dolfijnspad, groot 306 roeden, door Lijsje Claes verkocht aan Cornelis Jelisz. De Vries. Op 8 februari 1718 staat De Jonge Dolfijn in het Assurantiecontract voor papiermolens vermeld. Het papiermakerscontract wordt op 24 december 1733 vernieuwd voor notaris Pieter Leur, waarbij de molen onder nr. 18 wordt opgenomen voor een verzekerde waarde van fl 5.000,– met als eigenaar Pieter Houtsager.

In 1763 komt de molen in het bezit van Willem de Vries, wiens erven tot 1772 eigenaar blijven. De Jonge Dolfijn wordt vervolgens voor twee jaar in rederij gedreven door zeven witpapierfabrikanten, die de molen op 19 februari voor 7/8 part en fl 5.337,10 aan één van hen, de Fa. Pieter van Leeuwen & Zoon, overdoen, met bepaling dat uitsluitend grauw papier mag worden vervaardigd.

De papierfabrikanten beschermen op deze wijze de eigen affaires, terwijl het 1/8 part een zekere mate van controle mogelijk maakt. De verzekerde som is nu fl 12.000,–. Op 26 november 1778 vindt wederom transport plaats, nu voor fl 5.100,– in eigendom van Fa. Blauw en Briel te Wormerveer, reders met papiermolens De IJver en De Oude Blauw in Wormerveer, alsook De Herder en De Herderin in Zaandijk. Vlak daarvoor nog – op 14 november – is het recht om water te betrekken uit de vijvers van De Jonge Dolfijn, voor fl 50,– per jaar verkocht aan Jacob en Jan Kruijt, de eigenaars van bastaard papiermolen De Dolfijn, die vlak naast De Jonge Dolfijn staat.

Pelmolen De Jonge Dolfijn, Westzaan

In 1781 wordt de molen voor fl 3.000,– verkocht aan Claas IJff uit Wormerveer, die De Jonge Dolfijn laat vertimmeren tot pelmolen en verzekert in het zg. pellerscontract. Op 4 september 1783 staat de molen nadrukkelijk alszodanig vermeld. IJff verkoopt zijn molen in 1791 voor fl 4.448,– aan Willem Bruigom Tip uit Westzaan, een invloedrijk koopman, werkend met zijn zoon Adriaan onder de naam Relk & Tip. Ook pelmolen Het Prinsenhof in het Westzijderveld te Westzaan behoorde tot deze firma. Twee jaar na het overlijden van Willem Bruigom Tip wordt De Jonge Dolfij in 1815 overgadaan aan Dirk Heynis, die op 6 juni 1819 plotseling overlijdt. De verzekering wordt vervolgens overgeschreven op naam van zijn echtgenote, Aaltje Simons Couwenhoven. Zij was een dochter van olieslager Simon Couwenhoven uit Zaandijk, eigenaar van De Ooievaar aan de Kalverringdijk in Oost-Zaandam. Zij brengt op 3 november 1821 De Jonge Dolfijn in veiling, waarna Fa. Cornelis Dekker & Zoon de molen verwerft voor fl 8.780,–.

Veilingbrief Jonge Dolfijn

In 1845 gaat De Jonge Dolfijn over naar Jan Dekker Gz. die de molen zes jaar later voor de somma van fl 5.000,– onderhands overdoet aan Evert en Gerbrand Dekker Jz. Gedurende deze periode wordt de molen aangewend voor het verwerken van fourage-artikelen, waartoe tevens een tarwemaalsteen en twee builkisten worden ingebouwd. In 1867 volgt dan nog een koppel kleine kantstenen. Evert Dekker, die sinds 1869 als eigenaar te boek staat, verkoopt De Jonge Dolfijn op 18 september 1872 aan Onne Wijnberg en Kl. Bakker Wz. te Wormerveer.

Wijnberg is ook eigenaar van meelmolen De Witte Vlinder aldaar, die tot 1885 aan de Zaan bij etablissement De Jonge Prins stond. Het zijn deze firmanten, die in 1874, mogelijk als eersten, een doppensteen voor het malen van rijst- en cacaodoppen laten plaatsen en waartoe op 14 april van dat jaar een proefmaling wordt gehouden ten behoeve van de toezichthouders van de brandverzekering. Eén van hen, Jan Couwenhoven Psz., zelf eigenaar van pelmolen De Witte Klok te Zaandam-Oost, merkt op dat “het meel zo heet was, dat men zijn hand er geen minuut in kon houden”. De Jonge Dolfijn wordt aangewezen als één van de best met doppensteen uitgeruste molens, welke op de maalzolder is aangebracht en waarvan alle delen die er mee in aanraking komen, met metaal zijn bekleed. Op 15 juli 1885 staat Onne Wijnberg als enig eigenaar in het assurantiecontract geregistreerd.

De Jonge Wester, beter bekend als Penninga’s Molen – kort na de opbouw in Joure, 1900

Uiteindelijk komt De Jonge Dolfijn in juni 1900 in het bezit van Auke Penninga, die hem door de Heerenveense molenmaker Jelmer Visser te Westzaan laat demonteren, per zeilpraam over de Zuiderzee vervoert en in Joure aan de Schipsloot weer laat opbouwen. De molen krijgt de naam De Jonge Wester, maar wordt algemeen bekend onder de naam Penninga’s Molen. Wanneer Auke Penninga op 15 juli 1920 overlijdt, gaat de molen in eigendom over naar zijn schoonzoon Boudewijn van der Werf, die enige jaren daarvoor als knecht op De Jonge Wester is komen werken. In de omgeving van Joure wordt in die jaren veel graan verbouwd, dat in loonmalerij door Penninga’s Molen ten behoeve van Meel- en Fourage handel Cath wordt verwerkt. Als de activiteiten van Cath worden beeïndigd, betekent dit ook de economische achteruitgang van het molenbedrijf. Halverwege de dertiger jaren komt de molen definitief stil te staan en treedt het verval in.

Penninga’s Molen in vervallen toestand

Een nieuwe start

Wat eens Friesland’s grootste wiekendrager was, verwordt tot een bouwval, waarvan de Rijks­commissie Monumentenzorg in een schrijven van 21 juli 1948 aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen laat weten geen voorstander van herstel te zijn. Het gemeentebestuur van Haskerland, daarin gesteund door de Friesche Molencommissie, heeft gelet “het bijzonder fraaie accent dat de molen in het dorpssilhouet vormt” een begroting tot herstel doen opmaken, welke in dat jaar wordt geraamd op fl 8.750,– en hoewel reeds in 1956 sprake is van een toezegging tot rijksbijdrage, op voorwaarde van gemeentelijke aankoop, komt het pas in 1963 tot een plan van aanpak, dat in 1966 uitmondt in de oprichting van de Stichting Penninga’s Molen, voort- gekomen uit het Heemkundig Werkverband Haskerland. Restauratie- kosten worden inmiddels geschat op fl 110.000,–. Op 18 december 1969 laat de Minister van CRM middels de Rijksdienst weten dat aannemers- bedrijf Y. Schakel te Exmorra met de uitvoering ad fl 158.000,– mag beginnen. Voor het zover is, wordt op 25 maart 1970 ten overstaan van Notaris A. Koopmans te Joure de molen door Mevr. A. Van der Werf aan de Stichting Penninga’s Molen verkocht voor fl 1.001,–. De uiteindelijke kosten van de in 1970-71 uitgevoerde restauratie bedragen dan bijna fl 250.000,–. Het is de kostbaarste en ingrijpendste restauratie in Nederland tot dat moment!

Penninga’s Molen na de restauratie van 1970-71

Klik hier voor

In de voetsporen van Auke Penninga

de online presentatie van het in 2001 door de stichting uitgegeven historisch overzicht n.a.v. 100 jaar Penninga’s Molen in Joure.